Vacature: troonopvolger God



Zij [de kunstenaars] zijn de verheerlijkers van de godsdienst en filosofische dwalingen van de mensheid, en dat zouden ze niet hebben kunnen zijn als ze niet in hun absolute waarheid hadden geloofd. Wordt het geloof in een dergelijke waarheid minder, verbleken de regenboogkleuren om de uiterste einden van het menselijk kennen en wanen: dan kan het kunstgenre nooit meer opbloeien dat, zoals de Divina commedia, de schilderijen van Raphaël, de fresco’s van Michelangelo, de Gothische kathedralen, niet alleen uitgaat van een kosmische maar ook van een metafysische betekenis van zijn objecten. Er zal een roerende sage ontstaan uit het gegeven dat er zulk een kunst, zulk een kunstenaarsgeloof bestaan heeft.” 

Dit schreef Nietzsche in de 19de eeuw. En eigenlijk is het verbazingwekkend dat hij dit al in toen al voorspelde. De ‘roerende sage’ is immers een feit. De kerken lopen leeg en zij die nog wel geloven, zoeken hun godsbeeld in abstracte concepten als naastenliefde of het gelaat van de Ander. Vrijwel niemand gelooft nog in een God op een troon die maar met een bliksem te zwaaien heeft om iemands leven te beschikken, een God die groot en onbevattelijk is, een God die je moet vrezen. En zo kreeg Nietzsche gelijk: God is (op sterven na) dood.  

Er resten ons nog de lege kerken, verhalen en een enorme hoeveelheid aan kunstschatten. Nooit zullen wij ‘verlichte’ toeschouwers zo’n kunst in zijn ware glorie kunnen bezichtigen. We kunnen het slechts als een buitenstaander ervaren, er een esthetische analyse van maken, maar nooit zal het dezelfde vanzelfsprekendheid uitstralen als het ooit deed. Neem nu onze Italiëreis. Een dertigkoppige groep staart naar een plafondfresco. “Dit is een voorstelling van de hemel”, zegt een van de koppen. “Dat daar is Maria. Dat is Eva en daartegenover zie je Adam.” Negenentwintig koppen knippen. Ze vinden het 'mooi' of 'niet helemaal hun ding'. Ze gaan weer naar buiten. Nu willen ze een ijsje eten. Wat nu een mooie afbeelding is van de hemel, was vroeger echt de hemel. Mensen kwamen de kerk binnen en werden totaal overweldigd door de hemel uit hun dromen. Het was niet 'mooi' of 'niet helemaal hun ding'. Dit was de hemel. 

Hemelopneming van Maria door Correggio, koepelfresco Duomo van Parma

 God zat op zijn troon en de kunstenaar werkte vol overgave voor Hem. Die volledige overgave kunnen wij, hedendaagse toeschouwers, ondanks dat dat gevoel ons vreemd is, nog wel herkennen in sommige kunstwerken. Een absolute goddelijkheid geef je immers niet weer met alleen maar technische perfectie. 

Dat de kunst al een tijd lang niet meer van deze aard is en niet meer dit goddelijke statuut – Nietzsche zou het ‘kunst in de hoogste vlucht’ noemen – geniet, is duidelijk. Nietzsche stelt dat de kunst niet meer kan bloeien als kunstenaars niet meer geloven in een algemene waarheid. Toch ben ik er rotsvast van overtuigd dat de kunst niet waardeloos geworden is. Kunst heeft dan misschien geen direct aanwijsbare zin, maar daarom is ze nog niet meteen waardeloos. Een staat zonder kunst zoals Plato’s ideale staat is wellicht mogelijk, maar absoluut niet wenselijk. Persoonlijk gruwel ik van het idee. Ik zie mannen in maatpakken, vrouwen in grijze kokerrokken reeksen cijfers opdreunen. Nergens klinkt er muziek, nergens is er een beetje kleur te bespeuren. De wereld heeft al zijn poëtische kracht verloren. Hoe gaat het met de Staat? Goed goed, we hebben ontdekt dat kunst zoveel kostte aan de maatschappij. Het is goed dat we daarvan af zijn. 

Kan de radicalere versie van dit geloof in de waarde van kunst het nieuwe kunstenaarsgeloof zijn? Ik ben op zoek naar dit kunstenaarsgeloof, omdat ik denk dat je geen kunst kan maken als je nergens in gelooft. Dat wil niet zeggen dat je je als kunstenaar hoeft te wentelen in illusies tot je er zelf in gelooft, zoals bijvoorbeeld het geloof in de eenheid van het goede, het ware en het schone dat Houellebecq de kunstenaar voorschrijft. Of dat je ‘de filosofische dwalingen van de mensheid – ik denk dat Nietzsche hier absolute ideologieën en metafysica’s bedoelt – moet verheerlijken’. Een kunstenaar kan hier uiteraard in geloven, maar het concept van het kunstenaarsgeloof dat ik voorstel is breder.  

God is dood en zijn troon blijft leeg achter. Als mens heb je een keuze: ofwel breek je de troon af (of je laat hem staan en plaatst er een hek rond: kijken mag, aanraken niet; € 3 inkom aub. Dit is het dan: de esthetisering van een dode God.), ofwel klim je in de troon en word je een God in het diepst van je gedachten. Je kijkt naar de zinloze wereld. Je schept dingen met betekenis. De wereld is nog steeds even zinloos. En je kijkt en ziet dat het goed is.  

Ik ben mij ervan bewust dat dit niet op elke kunstenaar toepasbaar is. Dit is dan ook geen poging om een soort algemene noemer voor de kunstenaar uit te vinden. Ik probeer een tegenwicht te bieden tegen het idee dat de kunst niet meer zou kunnen bloeien zonder Nietzsche van zijn troon te stoten. 



Reacties

Populaire posts van deze blog

Ceci n'est pas un Tuymans