De kunst is dood, lang leve de kunst – of hoe ik definitief afreken met Hegel
Voor ik andere blogposts schrijf, voel ik de nood mij eerst te bevrijden van Hegel. Misschien zoek ik hem later wel weer op, maar nu moet ik even afscheid van hem nemen. Ik zeg bevrijden, want hij zit mijn ideeën in de weg.
Ik merk namelijk bij mezelf een drang om mij steeds opnieuw – wanneer ik andere posts schrijf, die er weldra aankomen – te verantwoorden tegenover Hegel, dat ik mij steeds eerst een weg moet worstelen door zijn filosofie om dan pas een eigen bescheiden ideetje te mogen opperen. In deze post wil ik proberen door het bos van Hegels ideeën te wandelen en meteen een weg aan te leggen waarlangs ik ook kan passeren richting volgende posts. Soms zal ik bomen moeten kappen die op mijn weg staan. Ik zal het hout zorgvuldig bewaren, misschien kan ik er later nog iets van bouwen.
Laten we eerst Hegels definitie van ‘kunst’ eens onder de loep nemen. Hij beschouwt kunst als een noodzakelijke stap in het zelfbewustwordingsproces van de Geest. Doorheen de geschiedenis zal de mens zichzelf steeds beter gaan begrijpen totdat hij zichzelf volledig begrepen heeft. Dat absolute zelfbegrip noemt Hegel de Geest. Kunst is in die visie een middel om tot dat begrip te komen. Dat is allemaal nogal vaag. Wat leert de kunst ons concreet? Wel, de kunst toont ons in feite dat we vrije wezens zijn en dat we vrij zijn onze ideeën op te leggen aan de wereld om ons heen.
Dat gaat dan als volgt:
Op die manier slaat de kunst een brug tussen materie en de menselijke gedachte, twee zaken die in eerste instantie onverenigbaar lijken. De kunst is dus inherent verbonden aan zowel het stoffelijke als het geestelijke. Die voorwaarden leggen de kunst beperkingen op.
Sommige ideeën zoals bijvoorbeeld goddelijke perfectie, kan de kunstenaar namelijk niet met materie tonen. Wanneer dat gebeurt, wordt de kunstenaar zich bewust van de onvolmaaktheid van zijn kunst. Zijn werk is niet langer een ware schepping, maar slechts een (onvolmaakte) weergave van zijn subjectieve beleving van de werkelijkheid. Dit proces ziet Hegel zich dan ook voltrekken in de loop van de geschiedenis. Die deelt hij op in drie fases. Eerst de symbolische kunst, het besef dát er een kloof bestaat tussen materie en geest sijpelt in. De mens onderscheidt zich van de fysieke wereld om hem heen. De tweede fase is de klassieke kunst uit de oudheid. Dat is voor Hegel de meest ‘succesvolle’ fase. Hier slaagt de mens er echt in een evenwicht te vinden tussen de twee bestaansvoorwaarden van de kunst: het idee en het stoffelijke. In tempels worden beelden van goden aanbeden als echte goden. In de derde fase, de romantische fase, raakt deze balans uit evenwicht. De focus van de mens verlegt zich naar het geestelijke. Dat is ook niet vreemd in een de middeleeuwse maatschappij waar het geloof een fundament vormt van de organisatie van de hele samenleving. De kunstenaar voelt het materiële steeds meer aan als een belemmering of als iets dat onvermogen opwekt. De visuele schoonheid wordt ondergeschikt aan wat er wordt afgebeeld, aan het idee.
Dit betekent voor Hegel het einde van de kunst. De schoonheid, een essentieel deel van het kunstwerk, is immers niet meer relevant. De vorm is totaal willekeurig geworden. Het enige wat er nog werkelijk toe doet is het idee. Dus, ondanks er nog altijd een fysiek product is, bevinden we ons eigenlijk dan al op het terrein van de religie of de filosofie.
‘Het einde van de kunst’ betekent dus niet dat er geen kunst meer gemaakt kan of mag worden. Het wil zeggen dat de kunst haar doel bereikt heeft. Eerst was de kunst namelijk noodzakelijk voor de geest om zichzelf te kunnen beschouwen, maar nu heeft de geest de zintuiglijkheid niet meer nodig.
Iets wat Hegel naar mijn gevoel over het hoofd gezien heeft is dat niet alleen de geest zich zelfbewust geworden is, maar ook de kunst. Waar Hegel de kunst dus doodverklaart, ontstaat er in feite een nieuwe soort kunst: de zelfbewuste kunst. De kunst is dood, lang leve de kunst! Of om het met de woorden van Ariana Grande te zeggen: “thank you, next!” Deze nieuwe kunst kent haar beperkingen en reflecteert over zichzelf en haar rol binnen het eigen medium. In wezen is ze nog vrijer dan de 'vrije kunst' van Hegel. De ketens van het vakmanschap zijn gebroken. De kunstenaar hoeft niet per se nog een gevecht aan te gaan met een materie. Het is haast een vacuüm waarin de mogelijkheden onuitputtelijk zijn. De enige beperking is dat er op een bepaalde manier een eindproduct moet zijn.
Ik hoor de opmerkzame Hegelfan al fluisteren: "Die zelfbewuste kunst, dat is toch geen kunst meer? Dat is kunstfilosofie" Filosofie maakt echter geen gebruik van materie. De filosofie bouwt niets behalve theorieën. Als de kunst ons echt niets meer kon vertellen, waarom wordt er dan nu meer kunst gemaakt dan ooit tevoren? Dat wil in ieder geval zeggen dat de mens – al dan niet terecht – toch een bepaalde waarde toekent aan de kunst. Nee, ontkennen dat de kunst enige betekenis – het woord ‘zin’ gebruik ik liever niet – heeft, zou absurd zijn.
Wat gaat er dan fout bij Hegel? Allereerst botsen we eigenlijk op een taalkundig probleem. De kunst uit de klassieke oudheid is een geheel ander concept dan bepaalde kunst die vandaag gemaakt wordt, toch benoemen we beiden met het woord ‘kunst’. In haar oorspronkelijke betekenis, is het een rechtstreekse afleiding van ‘kunnen’. Ondertussen is de betekenis zo opengetrokken, dat het ons niet meer precies duidelijk is wat we bedoelen als we het over kunst hebben. Zo kan Hegel beweren dat de schone kunst die hij kent ons getoond heeft wat ze moest tonen (en gelijk hebben) en kan ik tegelijk zeggen dat de hedendaagse, zelfbewuste kunst ons nog heel wat kan en wil tonen.
Ik heb met veel interesse je tekst gelezen en volg je graag in je gedachten.
BeantwoordenVerwijderenNiet dat ik zo belezen ben of filosofisch geschoold, toch deel ik deze woorden van Martin Heidegger (wellicht heel oneerbiedig uit de context gerukt?):
“Zo blijft ons slechts één zaak over, namelijk te wachten tot de te denken zaak zich aan ons te kennen geeft. Maar wachten zegt hier geenszins dat we het denken voorlopig nog uitstellen. Wachten betekent hier: binnen het reeds gedachte uitkijken naar het ongedachte dat zich in het reeds gedachte nog verbergt. Door zulk wachten zijn we reeds denkend op gang gekomen en naar de te denken zaak onderweg.” (uit het essay ‘Wat heet denken?’).
Anders gezegd: ik kijk uit naar wat volgt!